MARIA LICHTMIS  OF DE

ZUIVERING VAN ONZE LIEVE VROUW

Volgens de Wet van de Heer mochten de vrouwen van Israël na de geboorte van een kind gedurende veertig dagen van hun zuivering niet opgaan de naar de tempel; na verloop van deze tijd moesten zij voor hun zuivering een offer opdragen. Daartoe moest een lam als slachtoffer worden verbrand; en als offergave voor de zonden moest men een tortel ofwel een duif daaraan toevoegen. Was de moeder te arm om een lam aan te bieden, dan was het door de Heer toegestaan het te vervangen door een tweede tortel of duif. 

Volgens een andere goddelijke wet behoorden alle eerstgeborenen de Heer toe en moesten dezen worden vrijgekocht. De losprijs was vijf sikkel (). Maria, een dochter van Israël,  had een Zoon gebaard; Jezus was haar eerstgeborene. Zou het nakomen van de wet niet in strijd zijn met de eerbied voor deze Eerstgeborene? Bij het overpeinzen van de redenen waarom de  Heer deze zuivering aan de moeder had opgelegd was het voor Maria als het zuiverste heiligste heiligdom van de Heilige Geest zonneklaar, dat in tegenstelling met de andere vrouwen deze wet niet op  haar van toepassing was. Welke overeenkomst kon er bestaan tussen de vrouwen van de mensen en haar, het zuiverste heiligdom van de Heilige Geest, maagd bij de ontvangenis van haar Zoon en maagd bij zijn onuitsprekelijke geboorte; haar die immer kuis was, maar thans nog meer nu zij de God van alle heiligheid in haar schoot heeft gedragen en ter wereld gebracht? En wanneer zij overwoog wie haar Zoon was en de majesteit van de Schepper en de opperste Heer van alle dingen, die uit haar had willen geboren worden, hoe zou de gedachte in haar kunnen opkomen, dat die Zoon onderworpen zou zijn aan de vernedering van de loskoop, alsof Hij een slaaf was die zichzelf niet toebehoort? Toch onderwerpt Maria zich op het woord van de Heilige Geest in haar aan deze tweevoudige wet. Ondanks haar waardigheid dat zij de Moeder van God is, moet zij zich aansluiten bij de andere vrouwen die naar de tempel gaan om daar door een offer haar verloren reinheid terug te ontvangen. Daarbij komt, dat de Zoon van God en Zoon van alle mensen in alles moet worden aangezien als een dienaar; als zodanig moet Hij als de geringste van de kinderen van Israël worden vrijgekocht. In diepe ootmoed onderwerpt Maria zich met al de ootmoed van haar hart. 

De Zoon van God zou slechts tijdelijk aan zijn volk bekend gemaakt worden, zo had de Allerhoogste in zijn raadsbesluit beslist. De herders van Bethlehem hadden niet zoals de latere vissers van het meer van Genezareth de opdracht ontvangen tot aan de uiteinden van de wereld het evangelie te verkondigen; de Koningen waren terug gegaan naar het Oosten. Na dertig jaren van verborgen leven te Nazareth, waar Hij volgens het woord van de evangelist gehouden werd als de zoon van Jozef, zou een groot profeet, Johannes de Doper, Hem aankondigen aan de Joden, die naar de Jordaan waren gekomen om zich daar te laten dopen. En het zou niet lang meer duren of zijn werken, zijn wonderen zouden van Hem getuigen. Na de smaad van zijn lijden zou Hij in  heerlijkheid verrijzen en daardoor de kracht van zijn  Offer en zijn godheid bevestigen. 

Nu gaat  het woord in vervulling van Aggeus in 2,9 tot de bouwlieden van de tempel, waar het Kind samen met Maria en Jozef zal binnengaan. Deze profeet heeft de heerlijkheid van de tempel van koning Salomon (970-940) gezien, is getuige geweest van haar ondergang in 586 v.Chr., was balling in Babylonië en is naar aanleiding van het decreet in 538van koning Cyrus naar Jeruzalem teruggekeerd. Het luidt als volgt:

“De glorie van dit tweede huis zal groter zijn dan die van het eerste: spreekt Jahweh der heerscharen. In deze plaats zal Ik vrede geven, is de godsspraak van Jahweh der heerscharen.”

De Emmanuel, ofwel “God met ons”, heeft de stilte van Bethlehem verlaten. Hij gaat bezit nemen van zijn aardse woning. Door niets anders dan door zijn aanwezigheid binnen de muren van de tweede tempel verheft Hij eensklaps diens glorie boven de heerlijkheid waarmee die van Salomon was omgeven. Nog verschillende keren zal Hij het betreden doch het bezoek dat Hij heden brengt, gedragen door de armen van zijn Moeder, is voldoende voor de vervulling van de vermelde voorspelling. Nog enkele jaren zal het bloed van offerdieren de horens van het offeraltaar rood kleuren; maar te midden van die geslachte dieren, machteloze offeranden, nadert reeds het Kind, in wiens aderen het Bloed vloeit van de verlossing van de wereld. Onder al degenen die op die datum de tempel betreden, zijn er niet weinigen die niet verlangen hebben naar de Heiland en die weten, dat het uur van zijn optreden nadert, maar niet één van hen vermoedt, dat de verwachte Messias op dit ogenblik het huis van God is binnengegaan.

Toch mocht zulk een gewichtige gebeurtenis niet voorbijgaan zonder een nieuw wonder van de Eeuwige. De herders waren opgeroepen door een engel, een ster had de Koningen uit het Oosten naar Bethlehem geleid; de Heilige Geest zelf bereidt een nieuwe en onverwachte getuigenis voor het goddelijk Kind.

In Jeruzalem woonde een grijsaard, wiens einde met rasse schreden naderde; een man van verlangen, Simeon genaamd, had in zijn hart de messias-verwachting niet laten insluimeren. Hij voorvoelde de vervulling van de tijd en tot loon voor zijn hoop had de Heilige Geest hem geopenbaard, dat hij zijn ogen niet zou sluiten voordat zij het goddelijk Licht zouden zien opkomen. Op het ogenblik dat Maria en Jozef binnengaan om het Kind der belofte naar het altaar te dragen, wordt Simeon een inwendige gedrang gewaar, de kracht van de goddelijke Geest; hij verlaat zijn woning en gaat naar de tempel. Op de drempel van Gods huis herkennen zijn ogen zonder dralen de vruchtbare Maagd door Isaïas voorzegd; en zijn hart is reeds bij het Kind in haar armen. Verlicht door de Heilige Geest laat Maria de grijsaard naderbij komen en in zijn bevende armen legt zij het dierbare pand van zijn liefde, de hoop van het heil van de wereld. Zalig zijt gij Simeon, beeld van de oude wereld, grijs geworden in de hoop en haar einde nabij! Ternauwernood draagt hij de zoete Vrucht van het leven of zijn jeugd wordt hernieuwd als die van een adelaar; in hem heeft de ommekeer plaats, welke in het ganse mensdom geschieden. Zijn mond opent zich, zijn stem weerklinkt, hij getuigt als de herders in de vlakte van Bethlehem, als de Koningen in het verre Oosten:  “Nu laat Gij, Heer, uw dienaar gaan in vrede naar uw woord”, zegt hij: “want mijn ogen hebben de Heiland aanschouwd, die Gij bereid hebt! Eindelijk straalt dan het Licht, dat moet schijnen voor de heiden en dat glorie zal zijn voor uw volk van Israël.”

Overgelukkig legt de grijsaard de Zoon neer in de armen van zijn zuiverste Moeder, die Hem gaat opdragen aan de Heer. De duiven worden aangeboden aan de priester, die ze offert op het altaar, de losprijs wordt betaald en met volledige onderwerping wordt alles vervuld; en na haar huldiging aan de Heer, daalt Maria met haar goddelijke Emmanuel aan haar boezem en vergezeld van haar getrouwe bruidegom de treden van de tempel af.