OVERWEGING

Johannes de Doper

Johannes de Doper door Titiaan (1490-1576)

De engel sprak tot Zacharias: “Vrees niet, want uw gebed is verhoord; Elisabeth,  uw vrouw, zal en zoon schenken, en gij zult hem Johannes noemen. Gij zult juichen en jubelen en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen; want hij zal groot zijn voor de Heer; hij zal geen wijn drinken, noch sterke drank; en reeds van de schoot van zijn moeder af zal hij vervuld worden van de Heilige Geest. En vele kinderen van Israël zal hij bekeren tot de Heer, hun God. En hij zal voor Hem uitgaan met de geest en de macht van Elias, om de harten der vaderen tot de kinderen terug te brengen en de weerspannigen tot de gezindheid van rechtvaardigen, en de Heer een goedgestemd volk gaan bereiden” (Lk.1,13-17).

Sint-Jan de Doper, 

de wegbereider, de stem van een roepende in de woestijn.

Sint-Jan, vervuld van de Heilige Geest, is de wegbereider van Christus door zijn eigen boetvaardigheid, door de prediking van het doopsel van boetvaardigheid, en doordat hij Christus aanwijst als het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. In deze advent moet hij ook ons hart voorbereiden op de komst van Christus. Tevens moet hij voorbeeld zijn, opdat wij evenals hij, de harten van anderen gereed mogen maken om hun Verlosser te ontvangen.

Op de dag dat Johannes besneden werd, sprak zijn vader Zacharias, vol van de Heilige Geest, hem toe: “Gij zelf, kleine knaap, zult profeet van de Allerhoogste worden genoemd; want ge zult uitgaan vóór de Heer om zijn wegen voor te bereiden.” Deze kleine knaap zelf was al vóór zijn geboorte van de Heilige Geest vervuld, om later, zoals het evangelie ons verhaalt: “weerspannigen tot de gezindheid van rechtvaardigen terug te brengen en de Heer een goedgestemd volk te gaan voorbereiden”. Terwijl hij opgroeide, werd hij zich bewust van zijn roeping. Hij trok zich terug in de woestijn om er in de stilte te prediken tot hen die hem zochten. Hij preekte het doopsel van boetvaardigheid tot vergiffenis van de zonden. Hij sprak in de geest en de macht van de profeet Elias. Er ging vuur van hem uit en zij, die zich bekeerden, hebben God bejubeld om hem. Zichzelf heeft hij alles ontzegd om àlles te kunnen geven. Het aardse had voor hem alle waarde verloren, omdat hij al vóór zijn geboorte en voor zijn intrede op deze aarde Christus volkomen had ontmoet. Immers toen zijn moeder Elisabeth die van hem in verwachting was, de groet vernam van Maria die ontvangen had van de Heilige Geest, was hij opgesprongen in haar schoot. Sindsdien vervulde hij zijn taak in het licht van die ontmoeting, terwijl hij uitzag naar een volgende. En de woestijn is voor hem gaan bloeien, heerlijker dan het paradijs, toen hij Christus op zich zag toekomen, toen hij Hem aan het volk kon aanwijzen: “Zie het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt”, toen hij Hem de schuldloze, mocht onderdompelen in het water van de Jordaan, toen de hemel zich opende, de Heilige Geest in de gedaante van een duif nederdaalde, en toen Gods stem weerklonk: “Dit is  mijn welbeminde Zoon, in Wie Ik mijn welbehagen heb”. De weg van Christus was bereid, nu moest Christus groter en de wegbereider kleiner worden. 

Toen hij vanwege het gebod van de huwelijkstrouw, door toedoen van de onwettige echtgenote van koning Herodes Antipas gevangen was genomen, bleef het licht van Christus hem omstralen in de boodschap die hij over Hem van zijn leerlingen ontving: “Blinden zien, kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd, dode verrijzen en aan armen wordt het evangelie verkondigd”. En als dank voor zijn voorbereidende prediking klonken hem de volgende woorden van Christus in zijn oor: “Hij is het van wie geschreven staat: ”. Omstraald door het licht van de tweede ontmoeting sterft Johannes de marteldood, terwijl hij uitziet naar de eeuwige tegenwoordigheid van Christus.

Het is advent. Ook wij bereiden ons voor op een nieuwe ontmoeting met Christus door zijn genade. Moge de heilige Johannes ook ons op die ontmoeting voorbereiden. Klinkt zijn stem door in ons binnenste, dan ontdekken ook wij daar doornen van eigenliefde, distels van hoogmoed en zand van een aardse gezindheid dat hoog opwarrelt en ons het uitzicht ontneemt op de eeuwigheid. De weg moet worden bereid. Niet de weg waarop wij willen gaan, maar de weg waarlangs Gij, Heer, tot ons wilt komen. Wat moeten wij doen? Rukken wij het onkruid uit, schiet het weer op; verwijderen wij het zand, de wind die uit de wereld waait, hoogt het weer op. 

Moge de heilige Johannes ons leren, dat distels en doornen niet meer opschieten, wanneer wij ons alleen maar richten op de ontmoeting met u, o Jezus, met Kerstmis. Wij bidden u, wil ons door uw liefde louteren. Gij zijt het Lam Gods, dat tot de zondaars komt en hun zonden wegneemt. Wij weten het: Gij vergeeft niet alleen de bedreven zonden, maar doodt in ons de hang naar zonde. Komt Gij tot ons, dan zal ook de woestijn in ons hart in de gloed van uw zon gaan bloeien. Dan zullen wij steeds kleiner en u steeds groter worden. Uw liefde schept wegbereiders, schept apostelen. Moge door ons toedoen ook in andere harten de woestijn gaan bloeien, omdat Gij er binnentreedt”. 

“Kom, Heer Jezus, kom.”

OVERWEGING

Een drietal overwegingen die nauw met  elkaar verbonden zijn. De eerste heeft betrekking op het feest van Christus Koning dat gevierd wordt op de laatste zondag van oktober. Hij is Koning van alle heiligen, dat wil zeggen, van hen die opgenomen zijn in het koninkrijk der hemelen. Ter ere van hen vieren we op 1 november het feest van Allerheiligen. Jezus is ook Koning van Allerzielen, 2 november, ofwel van hen die nog in het vagevuur uitgeboet worden van hun zondesmetten voordat zij in het koninkrijk der hemelen worden opgenomen.

 CHRISTUS KONINGSFEEST

.

                                                                                                                 Koning der koningen en Heer der heren

Christus is Gods Zoon, mens geworden voor ons. Hij is God en tevens mens. Als God is Hij de hoogste soevereine vorst; zijn macht is een eeuwige macht. Door zijn god- heid wordt zijn mensheid, die zo innig met zijn goddelijke Persoon verbonden is, gekroond tot een koninklijke waardigheid, die alle vorstelijke grootheid van de aarde ver overtreft. In Christus, de mensgeworden God, is de mensheid door de godheid ge- kroond tot Koning der koningen en Heer der heersers. Alle volkeren zijn Hem tot erf- deel gegeven en de uiteinden der aarde werden zijn bezit. Hij heerst van de ene zee tot aan de andere.

Christus is door zijn geboorterecht onze Koning. Krachtens zijn wezen en natuur be- zit Hij dit koningschap als zijn eigen recht. Hij voert heerschappij over alle schepse- len, zonder dat Hij die heerschappij door geweld heeft afgedwongen of heeft ontleend van buiten af. – Toch ligt er een grote weldaad in de waarheid, dat Christus niet al- leen door zijn geboorterecht over ons heerst; evenzeer wortelt zijn koningschap in een recht dat Hij verworven heeft door strijd en eigen Bloed, in de verdiensten van zijn verlossingsdaad. Het mensdom, dat in erfzonde leeft, ging gebukt onder de som- bere heerschappij van de vorst der duisternis. In zijn liefde voor ons heeft Christus in een bloedige strijd de vorst der duisternis van zijn troon gestoten. Van deze strijd wa- ren wij de inzet. Christus won door zijn goddelijk Bloed onze zielen terug uit de macht van satan.

Vroeger droegen de koningen der aarde een purperen statiemantel, ten teken dat zij hun bloed wilden vergieten voor hun volk. Hoe geheel en al komt deze rode konings- mantel aan Christus toe! Welke koning kan er meer aanspraak op maken dan Hij, de Koning, die zijn kostbaar Bloed tot de laatste druppel voor zijn volk gegegeven heeft?

Ziet dan uw Koning! Kent de geschiedenis één vorst die meer aanspraak kan maken op de liefde van zijn volk, dan Christus, de meest vorstelijke van alle koningen? Alle erenamen die de volkeren in de loop der eeuwen aan hun koningen hebben geschon- ken, komen Hem toe. Hij is de Almachtige bij uitstek. Zijn rijk kent geen grenzen en Hem is de glorie en de macht in de eeuwen der eeuwen. Hij is waarlijk de Grote. De eeuwen door is Hij door zijn volk bezongen als: Tu solus altissimus – Gij alleen zijt de Allerhoogste. Hij is boven allen de Goede; Hem mogen wij Vader noemen. Hij is de Sterke, de wijste van de koningen der aarde. Koning Salomon zegt van Hem: Zijn Naam alleen al is als een sterke burcht. – Ziet dan uw Koning! Hij is de Almachtige, de Allerhoogste, de Allerbeste, de Vader van ons aller vaderland. De heilige Francis- cus heeft over Hem in de sublieme aanhef van zijn zonnelied gezongen:

Hoogwaardige, almachtige, goedige Heer,

U is de lofprijs, de glorie en de eer,

alle zegen alleen, aan u is hij bekwaam (aan u komt hij toe)

en niemand is er waardig, dat hij u noemt bij naam.

Zijn rijk is niet van deze wereld. Zijn rijk is van een hogere orde en van een hechtere gesteldheid dan aardse koninkrijken. Zijn rijkswet kent maar één gebod; zijn Magna Charta (grondwet) luidt: Bemin, God boven alles; de naaste als u zelf! Zijn rijk is een rijk van liefde. Hoe kan de Goede Herder, de Barmhartige Samaritaan, de milde Va- der anders koning zijn dan een koning van liefde? Hij weet wat gij nodig hebt, eerder dan gij Hem er om vroeg. Zijn troon was een zaligprijzing. De rechtspraak in zijn rijk kent maar één rechter: een algoede, alwijze, almachtige rechter. Getrouwe en Waar- achtige is zijn naam; met rechtvaardigheid leidt Hij ten oordeel. Zijn uitvoerende macht is een almacht. Op zijn kleed staat geschreven: Koning der koningen en Heer der heren. Hij is de hoogst soevereine Vorst. Aan Hem zijn wij onderworpen.

Almachtige, eeuwige God, die in uw beminde Zoon, de Koning van het heelal, alles hebt willen herstellen; verleen goedgunstig, dat alle volkeren, die door de wonde van de zonde van Hem zijn losgerukt, zich aan zijn allermildest gezag mogen onderwerpen. Door Christus, onze Koning en Heer. Amen ([1]).

[1] Ontleend aan „Meditatieboek voor kloosterlingen“, samengesteld door dr. Mathias Goossens O.F.M., uitgeverij J. Gottmer, Haarlem, Antwerpen.

Hymne, “Aeterne Rex altissime”

 Edele vorst der eeuwigheid, Gij die uw kinderen bevrijdt,

de zege is aan uw, o Heer, de dood ligt aan uw voeten neer.

Gij stijgt omhoog in het heelal, waar u de Vader noden zal

te zitten aan zijn rechterhand, te heersen over zee en land.

Al wat er in de  hemel leeft, wat op de aarde woning heeft,

de zee en haar verborgenheid, het buigt zich voor uw majesteit.

Een beving gaat door ’t englenheer, het lot der mensen neemt een keer:

’t is vlees dat zondigt, vlees dat boet, God is met ons, Hij heerst voorgoed.

O Koning, heersend op uw troon, wees eenmaal zelf ons hemels loon,

wees ons de vreugde zonder maat, die alle vreugd te boven gaat.

Wij roepen u genadig aan, vergeef ons, wees met ons begaan,

laat onze harten zijn verblijd, o Heer, om uw barmhartigheid.

Opdat, wanneer Gij komt in ’t licht, op wolken zetelt ten gericht,

Gij ons van alle schuld ontslaat en ons herstelt in koninklijke staat.

U, Jezus zij de heerlijkheid, die stralend opgevaren zijt,

met Vader en met Geest tezaam, zij eeuwig lof uw grote naam.

Amen.

ALLERHEILIGENFEEST

                                                                                                                                Ik zag een grote schare

Op  1 november vieren wij in één blijde plechtigheid het feest van alle heiligen. Hun aanwezigheid is een vreugde voor de hemel, hun bescherming een geluk voor de aar- de, hun zegenpraal een krans voor de heilige Kerk. Hoe krachtiger hun belijdenis tij- dens de martelingen, des te meer worden ze nu geëerd; want hoe feller de strijd, hoe groter de roem van de strijders. De triomf, die de marteldood is, wordt mooier door veel soorten van lijden: hoe erger de kwelligen waren, des te groter het loon. Door wie zijn al die martelaren, het roemrijk leger uit de gevangenissen, aangevuurd om in een vlam van heldenmoed, eensgezind de strijd te voeren, bezield door de gedachte aan de zegenpraal? Door onze moeder, de katholieke Kerk. Zij heeft door haar Hoofd, Jezus Christus, geleerd, smaad noch kruis, noch dood te vrezen. Sindsdien heeft zij haar krachten meer en meer gesterkt, niet door weerstand maar door geduld.

O gelukkige moederkerk, zo versierd door het overwinningsbloed van de martelaren, zo blank door de onbloedige belijdenis van de maagden! Aan haar bloemen ontbre- ken rozen noch lelies. Laat allen nu wedijveren om in deze twee ridderordes de  hoogste rang te behalen, ofwel de witte krans van de maagdelijkheid ofwel de rode krans van het lichamelijke of geestelijke martelaarschap. In het legerkamp van de he- mel hebben zowel de vrede van de maagdelijkheid als de strijd van de martelaren hun bloemen voor de strijders van Christus.

Gods onuitsprekelijke en onmetelijke goedheid heeft het zo ingericht, dat Hij de tijd van inspanning en strijd op aarde in vergelijking met de eeuwigheid niet al te lang heeft gemaakt: in verhouding slechts één seconde lang . Dit uiterst korte aardse leven bestemde Hij voor strijd en inspanning, het andere, het eeuwige leven bestemde Hij voor het loon en de bekroning. Zo neemt het zwoegen spoedig een einde, maar duurt de beloning eindeloos. Na deze duistere wereld zullen wij dus een helder licht zien en een zaligheid ontvangen, die alle geleden bitterheid ver overtreft. Dit verzekert ons de H.Paulus met de woorden: “Het lijden van deze tijd weegt niet op tegen de heerlijk- heid die ons geopenbaard zal worden” (Rom.8,18) ([1]).

Zie Christus, op ons allemaal, voor wie in ’t hemels tribunaa

als voorspraak zelf de heil’ge Maagd vergeving van de Vader vraagt.

Gij, engelen, zo wijd vermaard, in negen slagorden geschaard,

verdrijf het kwade overal, dat was, dat is, dat komen zal.

Apostelen, profeten, smeekt de Rechter, die het oordeel spreekt,

dat op ’t berouwvolle gebed, Hij zondaars weer in vrijheid zet.

Gij, martelaars, met bloed bekleed, belijders tot Gods dienst gereed,

roept ons, die zonde en schuld verbant, tot u in ’t hemels vaderland.

Gij, maagden, onbesmet en rein, gij, kluizenaars in de woestijn,

die opstijgt tot de sterren, laat ons met u meegaan waar gij gaat.

Verjaag de ongeloov’ge drom (menigte) ver van de grens  van ’t christendom,

opdat er éne heerschappij, één herder en één kudde zij.

Aan God de Vader zij de eer, aan God de Zoon, de trouwe Heer,

aan God de Geest die ons geleidt, van nu aan tot in eeuwigheid. Amen.

[1] Preek van de heilige belijder en kerkleraar Beda Venerabilis ofwel Eerbiedwaardige (± 673-735), ontleend aan het breviergebed van deze dag.

ALLERZIELEN

 

                                                                                                                                   Geef hun de eeuwige rust

In het geheim van de dood en verrijzenis van onze Heer heeft de dood voor ons zijn verschrikking verloren. Want Christus heeft de dood overwonnen, zodat er geen dood meer is maar eeuwig leven. Voor hen die in de Heer sterven, wordt het leven niet weggenomen, maar slechts veranderd. Zij zijn in vrede en leven in Christus en zelfs hun lichaam zal bij het Laatste Oordeel door Hem worden opgewekt en eeuwig delen in zijn heerlijkheid. Daarom laat de dood van de rechtvaardigen in ons geen ontroost- bare droefheid achter. Wij geloven immers dat God de zielen van de overleden gelo- vigen tot Zich neem in eeuwige rust, dit is: in volmaakte geluk. Tevens geloven wij in de verrijzenis van het lichaam. Dit is de reden dat wij dat wij de lichamen van de ge- storvenen met eerbied behandelen.

Niet alle overleden gelovigen in wie God de Vader het beeld zijn Zoon Jezus Christus herkent, worden na onmiddellijk opgenomen in het koninkrijk der hemelen. Als hun zielen nog niet geheel en al gereinigd zijn van de straffen van de zonden die zij tij- dens hun aardse leven hebben begaan, moet zij in het vagevuur daarvoor boete doen, totdat zij vlekkeloos voor Gods aanschijn mogen verschijnen. Voor de verheerlijking van deze lijdende zielen kunnen wij bidden. Dit leert ons de Heilige Schrift. Daar le- zen we in 2.Makk.12,46, dat Judas de Makkabeeër geld liet verzamelen om in Jeruza- lem een offer te laten opdragen voor hen in de strijd tegen de heidense Antiochus IV gevallen waren. “Want als hij”- Judas de Makkabeeër – “niet had verwacht, dat de gesneuvelen zouden verrijzen, dan zou het nutteloos en dwaas zijn geweest voor de doden te bidden. Bovendien overwoog hij, dat hun, die godvruchtig zijn ontslapen, een heerlijke beloning te wachten staat. Inderdaad, een heilige en vrome gedachte! Daarom liet hij voor de doden een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonde zou- den worden verlost”.

Daarom bidden (zingen) wij, wanneer het stoffelijk overschot na de H.Mis van Requiem de kerk wordt uitgedragen om begraven te worden:

“Dat de engelen u naar het paradijs geleiden; dat de martelaren u bij uw aankomst opnemen en u voeren naar de heilige stad, (het hemelse) Je- ruzalem. Dat het koor der engelen u moge opnemen en gij met Lazarus, een arme, eeuwige rust mag hebben”.