OVERWEGING

Voor de troon van de almachtige, oneindige, eeuwige God staan de vertegenwoordigers van hemel en aarde. “Rusteloos zeggen ze dag en nacht: Heilig, heilig, heilig, de Heer, de almachtige God, Die was en Die is en Die komt” (Apoc.4.8). Zowel de engelen als de heiligen en zaligen vallen neer voor Hem, Die op de troon is gezeten, aanbidden de Levende in de eeuwen der eeuwen, leggen hun kronen neer voor de troon en roepen: “Waardig zijt Gij, onze Heer, onze God, om de roem en de eer en de macht te ontvangen, Want Gij, Gij hebt alle wezens geschapen; door uw wil bestaan ze, en zijn ze geschapen (Apoc.4,11) Met heel het hemelse hof aanbidden ook wij de almachtige, allerheiligste, allerhoogste en verhevenste God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, hoogste Goed, alle Goed, volmaakt Goed, alleen Goed, buiten Wie niets goeds bestaat. Hem loven, prijzen en danken wij en brengen tot Hem alle goed terug. Ook aan ons past het “roem en dank” te brengen aan de drieëne God, die hemel en aarde geschapen heeft, zijn enige Zoon heeft gezonden om ons te verlossen en de Heilige Geest heeft geschonken om ons te heiligen en het werk van Jezus in onze zielen te voltooien. Het is zo jammer, dat veel zielen het nooit verder brengen dan het smeekgebed. Steeds staan ze bedelend voor de Oneindige en vergeten zijn grootheid te bewonderen, zijn heiligheid te prijzen en Hem voor zijn onmetelijke weldaden te danken. Als mens is een ieder in de natuurlijke orde in alles van God afhankelijk en als katholiek in de bovennatuurlijke orde. Aan God danken we het natuurlijk en bovennatuurlijk leven en door zijn scheppende en behoudende almacht wordt elk wezen in het bestaan bewaard. Van de algoede Vader van hemel en aarde ontvangt iedereen volgens het welbehagen van zijn wil, gunsten en genaden naar ziel en lichaam. Zonder Hem kunnen we niets doen en zijn we tot  niets in staat. Deze afhankelijkheid moet de mens in alle nederigheid en eenvoud erkennen en betuigen, door God te aanbidden als zijn Heer, door Hem te danken als zijn grootste Weldoener, Hem eerherstel te brengen voor zijn misslagen en Hem als de bron van alle goed te vragen on zijn gunsten. Van de verschillende gebedsvormen is het aanbiddingsgebed het volmaaktste, omdat het God onmiddellijk tot voorwerp heeft. Hieronder vallen de eigenlijke aanbidding, de dankbetuiging en het eerherstel. Volgens de H.Bonaventura bestaat het aanbiddingsgebed in de neiging van het hart tot eerbied en hulde bij de bewondering van Gods oneindigheid en het zien van onze nietigheid; in de verheffing van het  hart tot welwillendheid en dank bij de beschouwing van de goddelijke goedheid en onze onwaardigheid; in de opstijging van het hart tot welbehagen en wederkerige samenspraak bij het overdenken van de goddelijke liefde en onze lauwheid. Aanbidden en huldigen moeten wij God als de Vader, die ons heeft geschapen, herschapen en gevoed; als de Heer, door wie we zijn ontrukt aan de macht van de vijand, verlost van de kerker der hel en geleid in de wijngaard des Heren. We moeten ons verliezen in akten van steeds grotere dankbaarheid bij de beschouwing van onze onwaardigheid, de grootheid van Gods genaden en de oneindigheid van zijn barmhartigheid. We moeten ons welbehagen in God vinden, omdat wij er van genieten God zijn geluk te zien vinden in Zichzelf, omdat wij er genoegen in hebben slechts te willen behagen aan God alleen en omdat wij wensen, dat allen delen in deze zuivere liefde van welbehagen. In dit drievoudige welbehagen ligt het hoogtepunt van het aanbiddingsgebed. Jezus zelf geeft ons een prachtig voorbeeld van het aanbiddingsgebed in het Onze Vader. In de liturgie wordt het veelvuldig beoefend, vooral in het heilig officie. Het zijn de grote heiligen, die zich uitputten in lof-en dankgebeden. Omdat iedereen Gods welbehagen moet zoeken en naar de volmaaktheid moet streven, is elke mens tot het aanbiddingsgebed gehouden. Naargelang de ziel zich in alles aan het goddelijk welbehagen overgeeft, zal zij het “A” van God vinden en bewonderen en tevens het “niet” van zichzelf; hoe meer zij in volmaaktheid vordert, des te meer zal Gods glorie, zijn aanbiddelijke heilige wil in alles en altijd de enige drijfveer worden van al haar handelingen. Omdat God  alles voor Zichzelf gemaakt heeft (Spr.16,4) moet Hem, zoals de H.Franciscus zegt, “alle lof, alle glorie, alle dankzegging, alle zegening gebracht worden”. Aan ons past het slechts ons neer te buigen tot in het stof, onze ellende en nietswaardigheid te erkennen en te verlangen, dat God alle eer en glorie gebracht worden. Hier ligt de diepste grond van alle aanbidding. Met de H.Franciscus moeten we bidden: “Heilig, heilig, heilig, is de Heer, de almachtige God, die is, was en wezen zal. Laat ons Hem prijzen en verheerlijken in eeuwigheid. Waardig zijt Gij, Heer, onze God, te ontvangen: de lof en de roem en de eer en de dankzegging. Laat ons Hem prijzen en verheerlijken in eeuwigheid”.