OVERWEGING

„Steek uw vinger hierin en bezie mijn handen, en leg ze in mijn zijde. Weest niet meer ongelovig, maar gelovig.” „Mijn Heer en mijn God.”

Jezus vraagt geloof van al zijn volgelingen. Daarom verwijt Hij de ongelovige Thomas: “Omdat ge Mij gezien hebt, Thomas, hebt ge geloofd, zalig zij, die niet gezien en toch geloofd hebben” (Joh.20,29). De halsstarrige, ongelovige Thomas en de vernederde, gelovige Thomas staan lijnrecht tegenover elkaar. Er was een wonder nodig om de ongelovige tot gelovige te maken. Het geloof is een gave Gods die ons om niets gegeven wordt. Het is een vaste grond voor wat men hoopt; een overtuiging over dingen die men niet ziet (Hebr.11,1). Het eist de overgave van ons verstand “onder gehoorzaamheid aan Christus” (2.Kor.10,5). Wat God van ons vraagt, is nederig geloof, geen diep inzicht of veel verstand en grote talenten. Op de dag van de verrijzenis was Jezus aan zijn leerlingen verschenen. Hij had hun zijn doorboorde handen en zijde getoond en hun de macht gegeven om de zonde te vergeven (Joh.20,19-23). Thomas was toen afwezig. De andere apostelen zeiden hem: “Wij hebben de Heer gezien”. Maar Thomas antwoordde: “Zo ik in zijn handen de wonden der nagelen niet zie, en mijn vinger niet leg in de plaats van de nagelen, en mijn hand niet steek in zijn zijde, geloof ik het niet” (Joh.20,24-25). Ook de andere apostelen hadden getwijfeld aan Jezus’ verrijzenis, maar na zijn verschijningen geloofden zij. Thomas ging echter zo ver, dat hij aan de Zaligmaker hoge eisen stelde, alsof men de Allerhoogste voorwaarden kan stellen. Hij verklaarde, dat hij niet zou geloven, voordat hij zich met eigen ogen overtuigd had. Hij deed zijn medeleerlingen onrecht door hun getuigenis niet aan te nemen. Thomas hield van zijn Meester, hij was van goede wil, maar nog te menselijk in zijn gedachten en verlangens, te natuurlijk in zijn genegenheid. Jezus liet zijn ongeloof toe om hem zijn onmetelijke goedheid te kunnen tonen en nog duidelijker bewijzen van zijn verrijzenis te kunnen geven. Hij vernederde zijn apostel om diens geloof en liefde te versterken, maar ook om ons geloof te bevestigen. Moeten ook wij niet vaak vernederd worden en onze ellende en zwakheid ervaren om tot inkeer te komen? Acht dagen na de eerste verschijningen aan de apostelen waren de leerlingen weer bijeen, zo vertelt het evangelie, en ook Thomas was erbij. Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Jezus binnen, plaatste Zich in hun midden en zei: “Vrede zij u”. De andere apostelen zijn blij de Heer weer te zien, maar Thomas staat aan de grond genageld. Hij siddert van ontroering. Ook hij erkent thans de Zaligmaker, maar het bewustzijn van zijn ongeloof vermindert een ogenblik zijn vreugde. Terstond wendt zich de Heer tot Thomas en zegt: “Leg uw vinger hier, en bezie mijn Handen; steek uw hand uit en leg ze in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig” (Joh.20,28). Overweldigd door Jezus’ liefdevolle tegemoetkoming en beschaamd over zijn ongeloof werpt Thomas zich rouwmoedig voor Jezus’ voeten en roept uit: “Mijn Heer en mijn God” (Joh.20,28). Zacht was de terechtwijzing van Jezus: “Daar ge Mij gezien hebt, gelooft gij. Zalig, die niet zien en toch geloven” (Joh.20.29). Door het persoonlijk contact met Christus veranderde Thomas en werd hij een nieuw, een ander mens. Dit is juist de grote betekenis van het geloof, dat ons niet alleen een waarheid doet aannemen op Gods gezag, maar de ziel ook brengt tot algehele overgave. Het is een persoonlijke ontmoeting tussen God en de mens, die haar diepe sporen in de menselijke ziel achterlaat. Het is voor de herboren mens het begin van alle heil, de grondslag van het geestelijk leven, licht voor het verstand, en kracht en troost voor de wil. Zolang wij nog ver zijn van de gelukzalige aanschouwing en nog als pelgrims en vreemdelingen optrekken naar ons eeuwig vaderhuis, onderhevig aan allerlei gevaren van de duivel, de wereld en eigen zwakheid (2.Kor.5,6), is het geloof ons kompas en onze richtingwijzer, onze lichtende lamp in donkere nachten van moeilijkheden en zorgen. Ons geloof verliest echter veel van zijn waarde, als we niet volgens dat geloof leven: “De rechtvaardige leeft uit het geloof” (Rom.1,17). Dan eerst wordt het “een goddelijke kracht ter zaligheid”. Wij willen “uw gevangenen” zijn, Heer (Ef.4,1). Volgens de beginselen van het geloof willen wij ons dagelijks leven inrichten en ons door de grote geheimen van het geloof laten leiden. Maak ons sterk in het geloof om vurig te zijn in de liefde en standvastig in de beproevingen en in het lijden. Met de apostelen vragen wij: “Heer, vermeerder ons geloof” (Lk.17.5). HOMILIE VAN DE H.PAUS GREGORIUS I (590-604)De eerste vraag die bij de lezing van dit evangelie in ons opkomt, is deze: Hoe is het verrezen lichaam van Christus, dat door gesloten deuren bij de leerlingen binnen kon komen, een echt lichaam geweest?” Maar wij moeten beseffen, dat een goddelijk werk niet wonderbaar is, als de rede het kan bevatten, en dat het geloof geen verdienste heeft, als het menselijk verstand er bewijzen voor levert. Daarentegen behoort men die werken van onze Verlosser, die uit zichzelf niet kunnen worden begrepen, naar zijn andere werken te beoordelen: dan wordt aan wonderbare dingen geloofwaardigheid verleend door nog wonderbaarlijkere feiten. Het lichaam van Christus, dat door gesloten deuren bij de leerlingen binnenkwam, is immers hetzelfde als dat lichaam wat bij de geboorte door de gesloten schoot van de maagd naar buiten kwam voor de ogen der mensen. Het is dus geen wonder dat Hij die zonder de schoot te openen naar buiten trad voor een sterfelijk leven, eenmaal verrezen voor het eeuwige leven, door gesloten deuren naar binnen kwam ([1]). Zalig Pasen 1.Ontleend aan “Meditatieboek voor kloosterlingen”, uitgeverij Gottmer.

Hopelijk is alles zo in orde.

Joep

[1]  Romeins brevier, deel I.