OVERWEGING
Naast het feest op 15 augustus van de Tenhemelopneming van Maria met ziel en lichaam, viert de H.Kerk een week later, op de 22e, het feest van het Onbevlekt Hart van Maria. De godsvrucht tot dit hart is even oud als het christendom. De Heilige Geest heeft ons dit willen leren door Sint Lukas, de evangelist van de kinderjaren van Jezus. We lezen bij hem: “Maria bewaarde dit alles in haar hart en overwoog het bij zichzelf” (Lk.2,9.15). Hier ligt de oorsprong van deze godsvrucht. De grootste kerkleraars hebben de volmaaktheden van dit hart bezongen: de heiligen Ambrosius, Augustinus, Johannes Chrysostomus, Leo I, Bernardus, St.Bonaventura, Bernardus van Siënna en de beide grote kloosterlingen de heiligen Geertruid en Mechteld. Nog voordat St.Johannes Eudes in de 17e eeuw “de vader, leraar en apostel van de verering van het H.Hart” is geworden, werd hij de leraar en de apostel van de verering van het allerzuiverst Hart van Maria. Hijzelf heeft aangegeven wat deze verering behelst: “In het zeer heilig hart van de welbeminde Moeder Gods bedoelen en wensen wij vooral te eren en te vereren het natuurlijk zowel als het bovennatuurlijke vermogen om te beminnen, dat deze Moeder van de liefde heeft en dat zij geheel en al gebruikt om God en de naaste lief te hebben. Ofschoon hier betrekking heeft op het orgaan en het symbool der liefde, willen wij hier bovenal op de eerste plaats en voornamelijk daarin de gehele genegenheid en liefde van de Moeder van de Heiland jegens God en ons vereren” (). Nu is er voor een kind niets zoeter dan zijn moeder te eren en te denken aan de liefde die het ondervonden heeft. Een moeder is geheel en al van haar kind, haar goederen, haar liefde, ja haar leven behoren het kind toe: een kind mag altijd rekenen op het hart van zijn moeder. Wij allen zijn kinderen van de H.Maagd. Op de dag van de menswording heeft zij ons met Jezus in haar schoot ontvangen. In smarten en weeën heeft zij ons op Calvarië voortgebracht. Jezus, haar dierbaarste pad, heeft zij toen voor ons aan de Vader opgedragen, zij heeft haar fiat gegeven voor diens offer, zij heeft Hem aan ons geschonken; hoe zou zij Hem niet hebben nagevolgd door zichzelf te geven? Zij herhaalt voor ons de woorden van Jezus: “Komt allen tot mij en ik zal u verlichten…” Net zoals bij haar verschijning in Lourdes heeft zij voor allen een glimlach; zij roept ons, en niemand kan in zijn eigen onwaardigheid een voorwendsel vinden zich afzijdig te houden. Het hart van Maria, dat de zetel der Wijsheid was, en negen maanden lang de woning van het mensgeworden Woord; dat hart, dat het hart van Jezus heeft gevormd en het de barmhartigheid voor de mensen heeft geleerd; dat hart dat steeds heeft geklopt in overeenstemming met het hart van Jezus en dat door Hem is getooid met de kostbaarste genadegaven; dat moederhart is bij uitnemendheid de toevlucht van de arme zondaars. Daarom juist werd dat hart voor alle smet bewaard. Steeds vloeide daar een allerzuiverst bloed, het bloed dat voor Jezus bestemd was, opdat Hij het kon vergieten voor ons heil. In dat hart zijn bewaard en opgeborgen alle genaden welke de Heer door zijn leven en dood heeft verdiend; en wij weten, dat God nooit aan iemand enige genade heeft gegeven en zal geven, tenzij door de handen en het hart van haar, die de bewaarster en uitdeelster is van al zijn gaven. … Als O.L.Vrouw ons haar hart heeft geschonken, is het dan niet billijk, dat wij haar het onze schenken om het te zuiveren, te heiligen, er het rijk van God in te vestigen en het aan Jezus te geven en dat wij het aan haar schenken door een algehele en toewijding van onszelf? Maria zelf heeft in 1917 ons willen mededelen, dat dit haar aangenaam zou zijn. En daarom heeft Z.H.Pius XII op 8 december 1942 met blijdschap het verlangen van O.L.Vrouw van Fatima beantwoord en plechtig het mensdom toegewijd aan het Onbevlekt Hart van Maria. Reeds eerder zijn katholieke volkeren aan Maria toegewijd, maar dan bij monde van keizers en koningen. In 1647 door keizer Ferdinand II voor zijn staten waartoe ook de zuidelijke Nederlanden behoorden. Voor Frankrijk op 10 februari 1790 door Lodewijk XVI. In oktober 1943, in de duistere jaren van de bezetting, door de bisschoppen van ons land. Laten we dan de Oratio van dit feest bidden: “Almachtige, eeuwige God, die in het Hart van de heilige Maagd Maria een waardige woning hebt bereid voor de Heilige Geest; verleen goedgunstig dat wij, die het feest van dit allerzuiverst Hart met een vroom gemoed vieren, naar uw Hart mogen leven”.
Cf. “Het Liturgisch jaar”, van Dom Prosper Guéranger, deel V, 1957, N.V.Gooi & Sticht – Hilversum, blz. 200 e.v..