Overwegingen

 

 

 

OVERWEGING DERDE ZONDAG VAN DE VASTEN
(4 maart 2018)

 

 

De toestand van de bezetene, waarover het evangelie van vandaag spreekt, was treurig. Volgens de H.Lukas was hij stom (Lk.11,24), volgens de H.Matteüs was bovendien nog blind (Mt.12,22). Hij is het beeld van de beklagenswaardige toestand, waarin de duivel de ziel brengt. Heel het mensdom was tot aan Jezus’ komst aan zijn vreselijke tirannie onderworpen. Jezus noemt hem terecht “de vorst van deze wereld”. Door zijn dood en verrijzenis heeft Jezus hem echter overwonnen, zodat Hij kort vóór zijn lijden kon zeggen: “Nu wordt het oordeel over deze wereld volgtrokken; nu zal de vorst van deze wereld worden buitengeworpen” (Joh.12,31). De satan is heer en meester in de zielen, die niet door Christus zijn verlost. Soms is zijn macht zo groot, dat hij de organen van het lichaam beheerst, de mens doof, stom en blind maakt of door zijn mond spreekt. Hij heerst door de zonde, die blind, doof en stom maakt. Men erkent die toestand niet gemakkelijk, zolang men er onder gebukt gaat. Zodra men er zich van los gaat maken, merkt men in hoe grote afschuwelijkheid men geleefd heeft. Voortdurende zal men op zijn hoede moeten zijn voor de duivel en zijn bondgenoten: de begeerlijkheid van de ogen, de begeerlijkheid van het vlees en de hoogmoed des levens en hen onschadelijk maken door te leven volgens ons geloof. We moeten geheel en al met hem breken om Christus geheel toe te behoren en Hem in ons doen leven en werken. De duivel rust nooit, voordat hij de ziel in zijn bezit heeft. Hij kan verdreven worden, maar hij zal terugkeren. Hij zoekt een geschikt ogenblik uit om ons onverwachts opnieuw te overvallen. Daarom moeten we altijd waakzaam zijn, onze zintuigen beheersen en verkeerde neigingen onderdrukken. Nooit mag men de strijd staken of in ijdel zelfvertrouwen zich onoverwinnelijk wanen. Wie zich veilig voelt, is verloren.

 

Hij weet heel goed bij wie hij het vuur van de hebzucht moet ontsteken en bij wie hij met de verlokkingen van het gehemelte moet aankomen; wie hij moet bewerken met de angel der zinnenlust en wie hij het gif van de afgunst moet indruppelen. Hij weet heel goed wie hij door verdriet verwarren en wij hij door vreugde misleiden kan; wie hij door vrees verpletteren en wie hij door vleiende bewondering verleiden kan. Bij allen overweegt hij hun gewoontes, houdt zich vaak bezig met hun zorgen en vorst hun neigingen uit.

En juist in die zaak waarmee hij iemand zich het liefst bezig houdt, zoekt hij hem te schaden” ().

 

Laat ons wachten, vermaant de H.Franciscus, voor de boosheid en slimheid van satan. Want die wil niet, dat de mens zijn geest en hart tot God verheft. Hij sluipt rond en, terwijl hij de mens wat loon of voordeel voorspiegelt, tracht hij zijn hart te roven, het woord Gods te verstikken en de geboden des Heren uit zijn geheugen te verdrijven. Hij wil het hart van de mensen door wereldse zaken en zorgen verblinden en zelf daar wonen. Zo zegt het de Heer ook: “Wanneer de onreine geest van iemand is uitgegaan, zwerft hij rond in dorre streken waar hij zoekt naar rust. En als hij die niet vindt, zegt hij: Ik ga terug naar mijn huis, waar ik ben uitgegaan. En bij zijn komst vindt hij het schoongeveegd  en in orde gebracht. Dan gaat hij zeven andere geesten halen, nog bozer dan hij zelf, en zij treden daar binnen en vestigen er hun verblijf. Zo wordt de laatste toestand van die mens nog erger dan de eerste” (Lk.11,24-26).

 

Laten wij ons daarom goed in acht nemen, dat we onze geest of ons hart niet verliezen of van de Heer aftrekken, verleid door gewin, gemak of voordeel. Maar laten wij in de heilige liefde, die God is, elk beletsel wegnemen en alle zorg en kommernis opzij zetten om God de Heer zo goed mogelijk te kunnen dienen en beminnen. Laten wij Hem met een rein hart en een zuivere geest aanbidden en eren, zoals Hij boven alles verlangt. En laten wij altijd in ons binnenste een woning en verblijfplaats maken voor Hem die de Heer is, de almachtige God, Vader, Zoon en Heilige Geest ().

 

God, door uw genade zijn wij er toe geroepen daar te mogen gaan waar uw Zoon op onbloedige wijze zijn kruisoffer hernieuwt. Des te meer zal de tegenstrever alles in het werk stellen om ons hiervan af te houden. Geef ons op voorspraak van de heilige Maria, maagd en moeder van uw Zoon en van diens voedstervader de heilige Jozef de kracht om die aanvallen te weerstaan. Amen.

 

 

Ontleend aan “Predica verba”, deel 2, blz. 46 van A.Koch in de Nederlandse vertaling uit 1957.

Overige tekst ontleend aan “Meditatieboek voor kloosterlingen”, door dr. Mathias Goossens O.F.M. Uitgeverij J.J.Gottmer, Haarlem-Antwerpen.